De grootste politieke partij heeft niet automatisch de meeste kans om deel uit te maken van een gemeentelijke coalitie. In Nederlandse gemeenten lijkt juist een sterke voorkeur te bestaan voor coalities die een groot deel van de kiezers vertegenwoordigen. Dat blijkt uit onderzoek van Otto Swank, hoogleraar Economie aan Erasmus School of Economics, samen met Lotte Swank en Joes de Natris.
Geen voordeel voor de grootste partij
In meerpartijendemocratieën ontstaan regeringen doorgaans na onderhandelingen tussen politieke partijen. Bestaande modellen van coalitievorming voorspellen dat de rangorde van partijen daarbij belangrijk is: grotere partijen zouden meer onderhandelingsmacht hebben en daardoor een grotere kans om deel uit te maken van de coalitie.
De onderzoekers vinden hiervoor in Nederlandse gemeenten echter geen bewijs. Door gebruik te maken van verkiezingsuitslagen waarin partijen slechts nipt van positie wisselen, onderzochten zij of de positie van een partij daadwerkelijk invloed heeft op de kans om tot een coalitie toe te treden. Zij vinden geen causaal effect van de rangorde van partijen op coalitiedeelname.
Derde partij vaak onderdeel van de coalitie
Een van de opvallendste resultaten betreft gemeenten waarin twee partijen samen een kleine meerderheid hebben. Vanuit de zogenoemde minimal winning coalition-theorie zou je verwachten dat deze twee partijen dan samen het bestuur vormen.
De praktijk is heel anders: wanneer twee partijen samen een nipte meerderheid behalen, wordt in meer dan 90 procent van de gevallen toch een derde partij bij de coalitie betrokken. Dit wijst op een sterke norm waarbij coalities een aanzienlijk groter deel van de kiezers vertegenwoordigen dan strikt noodzakelijk is voor een meerderheid. Ook blijken grote partijen bij voorkeur deel uit te maken van de coalitie. Partijen die eerder een grote partij buiten de coalitie hielden, hebben een kleinere kans om bij de volgende coalitievorming opnieuw mee te doen.
Wat verklaart deze brede coalities?
Volgens de onderzoekers speelt de institutionele inrichting van het Nederlandse politieke systeem hierbij mogelijk een belangrijke rol. In Nederland is er geen automatische voorkeurspositie voor de grootste partij wanneer coalitieonderhandelingen plaatsvinden. De burgemeester wordt door de nationale regering benoemd en partijen moeten blijven onderhandelen totdat een coalitie is gevormd.
Dat verschilt bijvoorbeeld van Spanje, waar de grootste partij de burgemeester levert als partijen er niet in slagen een akkoord te bereiken. Een dergelijke regel geeft de grootste partij een duidelijke voorkeurspositie en kan een norm versterken waarin partijgrootte centraal staat. In Nederland ontbreekt zo’n institutioneel uitgangspunt, waardoor een norm van brede coalitievorming kan ontstaan.
Mogelijke betekenis voor de democratie
Een brede coalitie kan volgens de onderzoekers een voordeel hebben voor de democratische vertegenwoordiging. Wanneer een coalitie een groot deel van de kiezers vertegenwoordigt, kan zij beter aansluiten bij de voorkeuren van een brede meerderheid van de bevolking. Ook kunnen brede coalities partijen stimuleren om zich meer te richten op beleid in het algemeen belang, in plaats van op beleid dat vooral de achterban van één partij ten goede komt.
De bevindingen roepen tegelijkertijd nieuwe vragen op. Zo willen de onderzoekers in vervolgonderzoek bekijken of brede coalities daadwerkelijk andere beleidskeuzes maken dan coalities die alleen uit de minimaal noodzakelijke partijen bestaan. Ook kan de gevonden norm helpen verklaren waarom strategisch stemmen op de grootste partij in Nederland minder voor de hand ligt. Dit zou een mogelijke verklaring kunnen zijn voor de sterk gefragmenteerde Nederlandse politieke landschap.
- Professor
- Meer informatie
Download het bewuste onderzoek hierboven.
Voor vragen neemt u contact op met Ronald de Groot, Media & Public Relations Officer bij Erasmus School of Economics: rdegroot@ese.eur.nl, 06 53 641 846.
- Gerelateerde content
