De zomersale is begonnen; hét moment om een goedkope zonnige outfit te scoren. Of het nu gaat om een zomerjurk voor een tientje of een zwembroek voor vijf euro, de deals liggen voor het oprapen. Maar achter die lage prijzen gaat een wereldwijde industrie schuil met een lange geschiedenis. Historicus Ben Wubs onderzoekt hoe de mode-industrie zo groot kon worden en waarom we ondanks zorgen over vervuiling en arbeidsomstandigheden toch massaal blijven kopen.
Mode lijkt misschien iets van trends en seizoenen, maar volgens Wubs is kleding ook een spiegel van de economie. In zijn onderzoek kijkt hij naar de ontwikkeling van de wereldwijde mode-industrie sinds 1850. "Mode is meer dan een normaal bedrijf. Het is ook cultuur, symboliek en identiteit. Iedereen doet op een bepaalde manier aan mode."

Een industrie die al eeuwen wereldwijd verbonden is
De opkomst van fast fashion wordt vaak gezien als iets van de afgelopen decennia, met bedrijven die razendsnel goedkope kleding produceren en wereldwijd verkopen. Maar de geschiedenis gaat veel verder terug, legt de historicus uit.
Rond 1850 veranderde de kledingindustrie namelijk ingrijpend. En maakte de naaimachine het mogelijk om sneller en goedkoper kleding te produceren. Tegelijkertijd ontstonden wereldwijde handelsketens. Katoen uit de Verenigde Staten werd bijvoorbeeld verwerkt in fabrieken in Europa, waarna kleding over de hele wereld werd verkocht.
Veel mensen denken volgens Wubs dat zulke internationale productieketens nieuw zijn. Toch is dat van alle tijden. Grondstoffen uit het ene land, arbeid uit het andere, handel dwars over grenzen heen: zo werkt de mode-industrie al bijna twee eeuwen.
Van Parijs naar Azië
De geschiedenis van mode laat ook zien hoe productie steeds verschuift. Lange tijd was Europa het centrum van de kledingindustrie, met steden als Parijs als belangrijk middelpunt. Maar steeds meer productie verhuisde naar Azië, waar kleding goedkoper gemaakt kon worden.
Die ontwikkeling zien we vandaag terug bij bedrijven als SHEIN, het bedrijf dat in korte tijd enorm groot werd met extreem goedkope en snel geproduceerde kleding. Volgens Wubs is ook dat geen compleet nieuw fenomeen. Ook in de negentiende en twintigste eeuw werd kleding vaak geproduceerd in zogenaamde sweatshops, waar arbeidsomstandigheden slecht waren.
"Er zit veel continuïteit in dat verhaal", vertelt hij. "De manier waarop goedkope kleding wordt geproduceerd, heeft een lange geschiedenis."
De race naar steeds goedkoper
De lage prijzen in de modewereld zijn niet zonder gevolgen. Van slechte arbeidsomstandigheden tot overconsumptie. De industrie wordt vaak genoemd als een van de meest vervuilende ter wereld.
Tegelijkertijd ziet Wubs dat bedrijven zich steeds meer presenteren als duurzaam. "Je ziet dat grote merken duurzaamheidsrapporten publiceren op hun website en hun productie proberen te verbeteren. Maar het blijft ingewikkeld. De concurrentie tussen de bedrijven onderling is enorm."
Daardoor ontstaat er volgens Wubs een soort 'race naar de bodem'. Merken proberen zo goedkoop mogelijk te produceren, waardoor kwaliteit vaak afneemt en kleding sneller wordt weggegooid.
Kan het anders?
Toch is het verhaal volgens Wubs niet alleen negatief. Hij ziet mogelijkheden om de kledingindustrie te veranderen. Bijvoorbeeld door naar nieuwe productietechnieken te kijken en de mogelijkheid om bepaalde productie weer dichter bij Europa te brengen.
Daarin speelt Rotterdam volgens de historicus mogelijk een rol. "De stad heeft een grote haven en een sterke industriële geschiedenis. Ik zie kansen voor nieuwe vormen van textielproductie die minder afhankelijk zijn van lange transportketens en vervuilende scheepvaart."
- Professor
- Meer informatie
Meer wetenschapsverhalen? Kijk op ons online magazine Erasmus Extra.
- Gerelateerde content
