De Phillips-machine, ook wel de Moniac genoemd (Monetary National Income Analogue Computer), werd in 1949 ontwikkeld door de Nieuw-Zeelandse econoom Bill Phillips. Het apparaat berekent oplossingen voor vergelijkingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van hydraulica in plaats van differentiaalrekening. Het is een eenvoudige computer, hoewel niet zo eenvoudig als men zou denken. Hij kan negen differentiaalvergelijkingen tegelijkertijd en binnen enkele minuten oplossen, een prestatie die met de hand onmogelijk is. Zelfs in de jaren vijftig werden economische modellen uitgewerkt door kamers vol menselijke ‘computers’. Het zou nog jaren duren voordat digitale computers economische modellen konden ondersteunen die zo complex waren als die van de Moniac.
De jeugd van Phillips
Alban William Phillips werd in 1914 geboren op een kleine melkveehouderij in Te Rehunga, een landelijk gebied in Nieuw-Zeeland. Zijn vader, Harold, was zijn tijd ver vooruit: hij rustte de boerderij uit met een spoeltoilet, een door een waterrad aangedreven generator en elektrische verlichting, lang voordat dit op naburige boerderijen gebruikelijk werd. Harold stimuleerde ook de nieuwsgierigheid van zijn kinderen en leerde hen hoe ze kristalradio's, zoötropen en allerlei speelgoed konden bouwen.
Academische start
Na zijn jeugd in Nieuw-Zeeland verhuisde Phillips later naar Londen en schreef hij zich in aan de London School of Economics.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, trad hij toe tot de Royal Air Force, die hem naar de Stille Oceaan stuurde. Als RAF-ingenieur werkte hij aan de modernisering van verouderde vliegtuigen die bedoeld waren om het door de Britten bezette Singapore te verdedigen tegen de Japanse troepen.
Na de val van Singapore werd Phillips echter gevangengenomen en bracht hij drie jaar door in een Japans krijgsgevangenenkamp. Ondanks de onmenselijke omstandigheden bleef zijn vindingrijkheid onverminderd. Om het moreel op te krikken en zijn medegevangenen op de hoogte te houden, bouwde hij verborgen radio's, waaronder een die klein genoeg was om in de hak van zijn schoen te verstoppen. Hij ontwierp ook geïmproviseerde dompelverwarmers, waardoor de gevangenen elke avond honderden kopjes thee konden zetten. De bewakers kwamen er nooit achter waarom de lichten in het kamp 's nachts flikkerden. Zijn uitzonderlijke, out-of-the-box-denken tijdens deze moeilijke jaren maakte uiteindelijk de weg vrij voor zijn baanbrekende technische innovaties later in zijn leven.
Na de Tweede Wereldoorlog
Na de oorlog keerde Alban William Phillips terug naar Londen en hervatte hij zijn studie aan de London School of Economics. Hoewel hij zich aanvankelijk had ingeschreven voor sociologie, raakte hij al snel in de ban van de wiskundige vergelijkingen die in het nieuwe vakgebied van de macro-economie opkwamen. Gefascineerd door de technische precisie ervan, begon hij zijn sociologiecolleges over te slaan en trok hij zich in plaats daarvan terug in de garage van zijn huisbaas in Croydon.
In zijn garage begon hij met de bouw van een hydraulisch model van de vergelijkingen die zijn docenten op het bord schetsten. Een van die docenten was James Meade. In plaats van Phillips, die de sociologie praktisch had opgegeven, af te wijzen, was Meade geïntrigeerd door zijn onconventionele aanpak. Met de steun van Meade kreeg Phillips de kans om zijn opmerkelijke uitvinding eind 1949 te presenteren op het prestigieuze Robbins-seminar.
De allereerste demonstratie
Toen de demonstratie begon, werkte Phillips achter het ingewikkelde netwerk van plexiglasbuizen en reservoirs, terwijl hij een pomp in werking stelde die uit een Lancaster-bommenwerper was gehaald. Roze gekleurd water stroomde met een krachtige straal in een bovenste reservoir, om vervolgens door het systeem naar beneden te kelderen, waarmee de geldstroom in een economie werd nagebootst. Terwijl de machine feilloos werkte, waren de aanwezige professoren stomverbaasd. De demonstratie was een daverend succes. Binnen enkele minuten was de zaal gevuld met opwinding. Phillips had het allereerste computermodel van een nationale economie gecreëerd. Zijn uitvinding, aanvankelijk de Monetary National Income Analogue Computer (Moniac) genoemd, werd beter bekend als de Phillips-machine. Het gebruik van hydraulica in plaats van differentiaalrekening bood tastbare, visuele oplossingen voor complexe economische vergelijkingen, een technisch wonder dat de manier waarop economen hun vakgebied benaderden voorgoed veranderde.
Hoe de machine werkt
De Moniac was een eenvoudige computer, maar niet zo eenvoudig als men zou denken. Hij kon binnen enkele minuten negen differentiaalvergelijkingen tegelijk oplossen, een onmogelijke taak als dit met de hand zou moeten gebeuren. Zelfs in de jaren vijftig werden economische modellen handmatig berekend door kamers vol menselijke ‘computers’, voornamelijk vrouwen gewapend met papier en rekenmachines, net als een wiskundige versie van een typekamer. Het zou jaren duren voordat digitale computers economische modellen konden verwerken die zo complex waren als die van de Moniac.
Phillips bouwde 14 van deze machines, waarvan de meeste Mark II Moniacs waren, verbeterde en uitgebreide versies van het origineel. Met een hoogte van ruim twee meter en een breedte van 1,20 tot 1,50 meter oogt de Mark II naar hedendaagse maatstaven zowel indrukwekkend als ouderwets.

De Phillips-machine aan de Erasmus School of Economics
Van de 14 machines die Phillips heeft gebouwd, is er één terechtgekomen bij de Nederlandse School voor Economische Wetenschappen, de voorloper van Erasmus School of Economics. Het is een absoluut pronkstuk in de erfgoedcollectie van de universiteit en staat in de hal van het Theil-gebouw. De gemeente Rotterdam schonk de Phillips-machine in 1953, ter gelegenheid van het veertigjarig jubileum van de Nederlandse School voor Economische Wetenschappen, voor educatieve doeleinden.
- Meer informatie
Dit artikel is afkomstig uit Backbone Magazine 2025. Het tijdschrift is gratis verkrijgbaar in het E-gebouw of het Theil-gebouw. Daarnaast is hier een digitale versie beschikbaar. Backbone is het bedrijfsmagazine van de Erasmus School of Economics. Sinds 2014 verschijnt het eenmaal per jaar. Het tijdschrift belicht succesvolle en interessante alumni, behandelt de nieuwste economische trends en onderzoeken, en brengt verslag uit over nieuws, evenementen en prestaties van studenten en alumni.