Het devies voor de Nederlandse woningmarkt luidt al jaren: bouwen, bouwen, bouwen. Toch blijft de woningmarkt, ondanks stapels plannen, muurvast zitten. Woningmarkteconoom en universitair hoofddocent Matthijs Korevaar van Erasmus School of Economics spreekt hierover op 20 maart in een uitgebreid interview bij BNR Nieuwsradio, in het kader van de verkiezingsweek.
Verkoop van sociale huurwoningen
Een veelgehoorde klacht is dat door de verkoop van sociale huurwoningen minder betaalbare woningen beschikbaar zijn voor mensen die die het hardst nodig hebben. Toch vindt Korevaar een verbod op die verkoop te rigide. Hij verwijst naar zijn eigen wijk in Rotterdam, waar 92 procent van de woningen uit sociale huur bestaat. Die woningen zijn bestemd voor mensen onder een bepaalde inkomensgrens, waardoor mensen met lage inkomens sterk geconcentreerd raken in dezelfde buurten.
Volgens Korevaar zou het beter beleid zijn om juist extra sociale huur te bouwen in duurdere wijken, en in wijken met bijna alleen sociale huur ook woningen te verkopen. Dat is politiek alleen weinig populair, mede omdat grond in duurdere wijken erg kostbaar is.
De politiek moet keuzes maken
Of Nederland na de gemeenteverkiezingen echt vooruitgaat op het gebied van wonen, vindt Korevaar lastig te zeggen. De coalitievorming moet immers nog plaatsvinden, waarna plannen gemaakt kunnen worden. Wel ziet hij dat het landelijke beleid zich steeds meer richt op deregulering.
Uiteindelijk draait woningbeleid volgens hem om politieke keuzes. De overheid kan ervoor kiezen veel publiek geld in huisvesting te steken, maar dat moet dan wel worden betaald uit belastingopbrengsten. Zoals Korevaar stelt: ‘We roepen allemaal dat we betaalbare woningen willen, maar we stoppen er geen geld in.’
Korevaar wijst er bovendien op dat de mensen die het meest onder de wooncrisis lijden, politiek vaak het minst vertegenwoordigd zijn. Het woningtekort bestaat voor een belangrijk deel uit mensen boven de 25 die noodgedwongen een woning delen of verblijven in niet-geregistreerde woningen, zoals kantoren of vakantiewoningen. Een groot deel van deze groep bestaat uit arbeidsmigranten. Juist zij kunnen doorgaans op weinig politieke steun rekenen.
Korevaar verwijst naar hoe het vroeger ging, na de Tweede Wereldoorlog werd er politiek sterk ingezet op voldoende huisvesting. Dat gebeurde via publieke woningbouw met lage huren en via stimulering van eigenwoningbezit, onder meer met fiscale voordelen. Zowel huurders als kopers werden dus actief ondersteund. In de jaren daarna is dat beleid meerdere keren gewijzigd. Volgens Korevaar heeft die wisselvalligheid geleid tot instabiliteit, en dat is ongunstig als je investeringen in de woningmarkt wilt aanmoedigen.
Positieve kijk op de woningmarkt
Toch is de Nederlandse woningmarkt volgens Korevaar niet zo slecht als vaak wordt gedacht. Veel mensen wonen goed en de woonlasten zijn gemiddeld, afgezet tegen het inkomen, zelfs gedaald. Door investeringen uit het verleden heeft een groot deel van de bevolking een beschermde huurprijs of relatief lage woonkosten.
Dat is gunstig, maar tegelijkertijd is het geld om nieuwe generaties op dezelfde manier te ondersteunen er simpelweg niet meer. Daardoor voelt de woningmarkt voor veel mensen oneerlijk: zij zien anderen wel profiteren van goede deals, maar missen zelf de middelen om daarvan gebruik te maken.
Advies aan de (gemeentelijke) politiek
Volgens Korevaar ligt de kern van het probleem uiteindelijk in de politieke keuzes die worden gemaakt. Den Haag stelt de grote lijnen van het woningbeleid vast, maar gemeenten moeten projecten in de praktijk vormgeven. Zij verlenen vergunningen, stellen eisen en bepalen mede wie waar mag kopen of bouwen.
Vanuit het Rijk lijkt de nadruk nu vooral te liggen op het versoepelen van regels, in plaats van op extra investeringen. Voor gemeenten is het volgens Korevaar vooral belangrijk om eerst een sterke coalitie te vormen met een wethouder die regie kan voeren. Daarna moet kritisch worden gekeken naar de regels die woningbouw belemmeren.
Zijn voorkeur gaat daarbij uit naar mildere, maar haalbare eisen, boven strengere eisen die in de praktijk onuitvoerbaar blijken. Zijn slotboodschap is dan ook dat er meer realisme nodig is in de politiek: het idee dat toetreden tot de woningmarkt eenvoudig zou moeten zijn, met veel ruimte en lage kosten, is allang geen vanzelfsprekendheid meer.
- Universitair Hoofddocent
- Meer informatie
U kunt het volledige interview van BNR Nieuwsradio van 20 maart hier beluisteren.
