Het aanvullend geboorteverlof (AGV) wordt in Nederland opvallend weinig gebruikt door zowel lage als hoge inkomensgroepen. Vooral ouders met een middeninkomen maken gebruik van de regeling. Dat blijkt uit onderzoek van Coen van de Kraats, gastonderzoeker aan Erasmus School of Economics en Zichen Deng, universitair docent aan de UvA.
Voor hun onderzoek koppelden Van de Kraats en Deng administratieve gegevens van het UWV aan CBS-data. Daarbij richtten zij zich op het aanvullend geboorteverlof, een regeling die sinds juli 2020 ouders van wie de partner is bevallen recht geeft op vijf werkweken betaald verlof in de eerste zes maanden na de geboorte van een kind.
Inkomen speelt belangrijke rol
Uit de analyse blijkt dat het gebruik van het aanvullend geboorteverlof sterk samenhangt met het inkomen. Onder de laagste inkomensgroepen is de deelname bijzonder laag. Naarmate het inkomen stijgt, neemt ook het gebruik van het verlof toe. Bij de hoogste inkomensgroepen daalt de opname echter opnieuw.
Volgens Van de Kraats en Deng ondersteunt dit patroon de gedachte dat financiële overwegingen een belangrijke rol spelen bij de beslissing om verlof op te nemen. Tijdens het aanvullend geboorteverlof ontvangen werknemers namelijk een UWV-uitkering van 70 procent van hun dagloon, tot maximaal 70 procent van het wettelijke maximumdagloon. Voor werknemers met een laag inkomen kan het tijdelijke inkomensverlies een belangrijke drempel vormen. Bij topinkomens speelt mogelijk juist het feit dat de uitkering is gemaximeerd, waardoor het inkomensverlies relatief groot kan oplopen. De onderzoekers benadrukken wel dat hierover nog geen definitieve conclusies kunnen worden getrokken, omdat gegevens ontbreken over eventuele aanvullingen van de UWV-uitkering door werkgevers.
Risico op grotere ongelijkheid
De bevindingen, die onder meer zijn gepubliceerd in het economenvakblad ESB, zijn relevant voor het maatschappelijke debat over de verdeling van zorg- en arbeidstaken tussen mannen en vrouwen. Verlofregelingen voor partners moeten bijdragen aan een kleinere economische achterstand van vrouwen na de geboorte van kinderen, gelijkere verdeling van zorgtaken en een sterkere betrokkenheid van vaders. . Van de Kraats en Deng waarschuwen echter dat deze doelstellingen mogelijk niet voor alle groepen in gelijke mate worden bereikt. Wanneer toegang tot betaald verlof mede afhankelijk blijkt van inkomen, bestaat het risico dat beleid dat genderongelijkheid moet verkleinen juist nieuwe verschillen tussen inkomensgroepen creëert. Middeninkomens profiteren dan relatief sterk van de regeling, terwijl gezinnen met lagere inkomens achterblijven in hun mogelijkheden om tijd door te brengen met hun pasgeboren kind.
Meer onderzoek nodig
De onderzoekers wijzen erop dat inkomen niet de enige verklaring hoeft te zijn voor het verschil in verlofgebruik. Ook sociale normen, voorkeuren, bedrijfscultuur en de complexiteit van het verlofstelsel kunnen een rol spelen. Ze concluderen daarom dat meer onderzoek nodig is naar de oorzaken van de verschillen in verlofopname en naar de vraag of de recente uitbreiding van verlofregelingen daadwerkelijk bijdraagt aan de beleidsdoelen van meer gendergelijkheid, een evenwichtigere taakverdeling binnen gezinnen en een grotere betrokkenheid van vaders bij de zorg voor kinderen.
- Onderzoeker
- Meer informatie
Klik hier voor de bewuste ESB-bijdrage.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Ronald de Groot, Media & Public Relations Officer bij Erasmus School of Economics, rdegroot@ese.eur.nl, mobiel: 06 53 641 846.
