Digitale platforms, slimme mobiliteit en e-commerce hebben de manier waarop consumenten goederen en diensten kopen ingrijpend veranderd. De wetgeving houdt echter niet altijd gelijke tred. Europese consumentenwetgeving is vaak gebaseerd op situaties die inmiddels achterhaald zijn, terwijl nieuwe risico’s en marktvormen zich in hoog tempo ontwikkelen. In haar proefschrift onderzoekt Fiona Unz, universitair docent Handelsrecht aan Erasmus School of Law, hoe het EU-consumentenrecht weerbaarder kan worden gemaakt tegen dergelijke technologische en maatschappelijke veranderingen. Zij verrichtte haar onderzoek onder begeleiding van Harriët Schelhaas, hoogleraar Privaatrecht en decaan van Erasmus School of Law, en Wouter Verheyen, hoogleraar Arbeidsrecht en Transportrecht aan de Universiteit van Antwerpen. De centrale boodschap van Unz luidt dat volledige ‘toekomstbestendigheid’ niet bestaat, maar dat wetgeving wel zo kan worden ontworpen dat zij beter kan omgaan met disruptieve ontwikkelingen. Op 10 december 2025 verdedigde zij haar proefschrift.
Recht en technologie uit de pas
Het vertrekpunt van het onderzoek ligt in een structureel probleem. Technologie ontwikkelt zich snel, terwijl wetgeving vaak gefragmenteerd tot stand komt. Europese beleidsmakers erkennen steeds vaker dat wetgeving ‘toekomstbestendig’ moet zijn, maar concrete instrumenten om dat te bereiken ontbreken vaak. Dat geldt ook voor het consumentenrecht, waar consumenten blootgesteld blijven aan nieuwe risico’s en ondernemingen onzekerheid ervaren over de toepassing van bestaande regels op nieuwe technologieën.
Hoewel Unz zich richt op het EU-consumentenrecht, benadrukt zij dat het probleem breder speelt. Zoals zij uitlegt: “Mijn onderzoek richt zich op het verschil in tempo tussen technologie en recht, waarbij technologie zich snel ontwikkelt en het recht langzaam evolueert.” Volgens haar vraagt deze spanning om een fundamentele herbezinning op de manier waarop wetgeving wordt vormgegeven.
Is het consumentenrecht wel aanpasbaar?
De kernvraag van het proefschrift is of het EU-consumentenrecht voldoende aanpasbaar is aan disruptieve ontwikkelingen en, zo niet, hoe deze aanpasbaarheid kan worden verbeterd. Bij de beantwoording van deze vraag richt Unz zich niet uitsluitend op nieuwe wetgeving, maar ook op de kwaliteit van bestaande regels. Uit haar analyse blijkt dat verschillende belangrijke consumentenrechtelijke instrumenten moeite hebben gehad zich aan te passen aan innovaties die na hun totstandkoming zijn ontstaan. Dit geldt onder meer voor de Richtlijn consumentenrechten en de Europese verordening inzake passagiersrechten in het bus- en touringcarvervoer. Deze regels werden opgesteld in een tijd waarin online platforms en slimme mobiliteit nauwelijks een rol speelden.

Vier criteria voor aanpasbare wetgeving
Op basis van haar onderzoek ontwikkelt Unz een kader met vier criteria waaraan wetgeving zou moeten voldoen om beter met veranderingen om te gaan. Het eerste criterium is technologische neutraliteit. Wetgeving die te specifiek verwijst naar bepaalde technologieën raakt snel verouderd. Zoals Unz benadrukt: “Hoewel enige technologische inkleuring onvermijdelijk in de wet verankerd is, verminderen onnodige en te specifieke technologische verwijzingen de aanpasbaarheid.”
Het tweede criterium betreft flexibiliteit. Volgens Unz ziet deze flexibiliteit niet alleen op de interpretatie van regels (semantische flexibiliteit), maar ook op de structuur van wetgeving (wetgevingsflexibiliteit). Zij pleit voor een tweelaags systeem: “Wetgevingsflexibiliteit verwijst naar de structuur van wetten via twee lagen, waarbij een eerste, op beginselen gebaseerde regel wordt ondersteund door een tweede, meer specifieke en responsieve laag, in de vorm van richtsnoeren of een bijlage.” Op die manier blijft de kern van de wet stabiel, terwijl de praktische toepassing gemakkelijker kan meebewegen met nieuwe ontwikkelingen.
Het derde criterium sluit aan bij een klassiek juridisch beginsel: rechtszekerheid. Unz stelt dat absolute zekerheid in een snel veranderende samenleving noch haalbaar noch wenselijk is. Zoals zij het formuleert: “Wetgeving moet streven naar relatieve (in plaats van absolute) rechtszekerheid.” Dat vraagt om een open afweging tussen flexibiliteit en zekerheid, waarbij een zekere mate van onzekerheid wordt aanvaard. In haar proefschrift maakt zij daarbij onderscheid tussen verschillende vormen van onzekerheid, waaronder onzekerheid over de vraag of een bepaling van toepassing is op een bepaalde feitelijke situatie, onzekerheid over het gedrag dat de wet verlangt en onzekerheid over de uitkomst van toekomstige juridische geschillen.
Tot slot benadrukt Unz het belang van een evenwichtige belangenafweging. Aanpasbare wetgeving moet volgens haar niet alleen rekening houden met de belangen van consumenten en ondernemingen, maar ook met bredere juridische en maatschappelijke kaders. Dat vereist aandacht voor de balans tussen beginselen van EU-recht, samenhang tussen rechtsinstrumenten en de afweging van maatschappelijke risico’s. Alleen wanneer deze interne en externe belangen in evenwicht zijn, kan wetgeving duurzaam functioneren in een veranderende digitale markt.
Meer dan theorie
Het door Unz ontwikkelde kader maakt het mogelijk om zowel terugblikkend te analyseren hoe bestaande regels hebben gereageerd op nieuwe ontwikkelingen als vooruit te kijken naar mogelijke toekomstige uitdagingen. Door haar criteria toe te passen op verschillende rechtsinstrumenten, beoordeelt zij de aanpasbaarheid van bestaande instrumenten ex ante, dus vóórdat een disruptie zich daadwerkelijk voordoet, waardoor potentiële juridische knelpunten tijdig kunnen worden geïdentificeerd. Daarnaast kunnen deze criteria worden gebruikt bij het ontwerpen van nieuwe regels die beter bestand zijn tegen toekomstige verstoringen. Vanwege het methodologische karakter van het onderzoek zijn beide instrumenten ook toepasbaar in andere rechtsgebieden. Volgens Unz vergroot deze combinatie van analyse en terugkoppeling de praktische bruikbaarheid van het kader. Zoals zij benadrukt: “De kernboodschap van dit proefschrift is dat aanpasbaarheid geen utopisch of onhaalbaar doel is voor het EU-(consumenten)recht, zolang het wordt opgevat als het vermogen van het recht om beter bestand te zijn tegen technologische en maatschappelijke veranderingen door de afstand tussen recht en technologie te verkleinen. Aanpasbaarheid betekent dus niet het nastreven van absolute toekomstbestendigheid, wat op zichzelf onwenselijk is.”
Aanpasbaarheid als sleutelbegrip
In essentie draait het proefschrift om één centrale gedachte: hoewel perfecte aanpasbaarheid onhaalbaar is, moet wetgeving beter bestand zijn tegen maatschappelijke en technologische veranderingen. Om dit inzicht te illustreren gebruikt Unz een treffende metafoor: “Dit onderwerp kan worden verbeeld door een groeiende plant die innovatie symboliseert, en een starre pot die die plant beperkt, wat het juridische kader weerspiegelt waarin innovatie ontstaat. Als de plant te snel groeit en de pot niet meebeweegt, ontstaan er scheuren.” Volgens haar is het voortdurend vervangen van die pot door telkens nieuwe wetgeving geen duurzame oplossing. In plaats daarvan moet het juridische kader zo worden ontworpen dat het met de groei kan meebewegen. Zoals Unz betoogt: “We moeten die pot vervangen door een exemplaar dat zich beter aanpast aan de groei van de plant, zodat de noodzaak van een nieuwe begrenzing minder dringend wordt.”
- Universitair Docent
- Meer informatie
Lees het proefschrift van Unz hier.
